Het was een prachtig zonnige dag. We liepen door het park, een merel zat ons vanaf een takje nieuwsgierig aan te kijken. Het rook zomers, ook al was het pas half april. We hadden een paar biertjes bij ons, en een kleedje om op te zitten. Veel perfecter kon het niet.

Hij was niet tevreden op z’n werk. Hij werkte bij een klein bedrijf, met tien anderen. Omdat hij een van de weinigen was die bereid was om de handen uit de mouwen te steken, kreeg hij veel verantwoordelijkheid. Maar daar kreeg hij geen erkenning en vertrouwen voor terug. Daarnaast werken de andere collega’s niet echt lekker mee.

‘Ik moet de hele tijd de telefoon opnemen,’ zei hij. ‘En dan kom ik aan mijn eigen werk niet toe. Er is een andere collega die ook af en toe de telefoon zou kunnen opnemen, maar die gaat de hele tijd naar het magazijn en is dan een uur weg. Ik kan een dag lang bezig zijn met alleen maar telefoneren, terwijl ik ook nog andere dingen te doen heb.’

‘Maar zeg je daar dan iets van?’ vroeg ik.

‘Nee, want dan zegt hij dat hij ook vaak genoeg de telefoon aanneemt. En dan laat hij doorschemeren dat hij vindt dat ik juist degene ben die minder hard werkt dan hij.’

Een kraai liep om ons heen, en at de chipjes op die wat mensen hadden achtergelaten. Hij hield ons argwanend in de gaten, met z’n zwarte kraaloogjes. Het was een mooie vogel, met een stralend zwart verendek. En groot!

‘Dat is slim van hem,’ zei ik. ‘Maar nog knapper is, dat hij het voor elkaar krijgt dat jij je er iets van aantrekt. Waarom lukt dat?’

Hij keek even voor zich uit, toen keek hij naar mij. ‘Kennelijk vind ik het toch belangrijk wat hij van me vindt.’

Tsja. Al dat indirecte gedoe op de werkvloer, en erbuiten. Al dat geroddel, al die gedachten over elkaar. Wat een terreur. En wat een verademing als er iemand is die daar niet aan doet. Die gewoon zegt wat ‘ie denkt. Als een oase in een woestenij van meningen over collega’s, en meningen over meningen, en allianties tussen deze en gene.

‘Ik zal het er een keer met hem over hebben.’

Ja, ik geef het toe, ook ik ben eindelijk overstag: ik heb een Nespresso-apparaat. Ik heb een paar jaar lang weten vol te houden dat filterkoffie echt lekkerder is, dat espresso weer op z’n retour is en dat Nespresso-cupjes veel te duur zijn.

Een beetje gelijk heb ik wel gekregen: filterkoffie is weer helemaal hip in Londen (schijnt) en de espressowinkeltjes daar zijn op hun retour (schijnt). Maar waar ik telkens geen rekening mee hield, en wat ik nu eindelijk inzie: koffie blijft, als het pakje eenmaal open is, maar een week goed. Oké, met een beetje goede wil en niet al te kritische smaakpapillen twee weken. Maar meer ook niet.

Dus als je, zoals ik, maar vijf kopjes koffie per week thuis drinkt, dan krijg je nooit het pak op. En verlept de koffie, zodat je op een goede zondagochtend een kopje zet dat mooie herinneringen oproept aan slootwater uit Calcutta. Niet de bedoeling.

Daarom besloot ik vorige maand in een impulsieve bui zo’n Nespresso-machine aan te schaffen. Een niet al te dure onderneming, aangezien de winst niet gehaald wordt op de machines, maar op de cupjes die je daarna moet kopen. Een kopje Nespresso kost ongeveer 35 cent, en door patenten ziet het er niet naar uit dat hier in de komende paar jaar verandering in komt. Concurrentie mag nog niet.

Dus stond ik vandaag in de Nespresso-winkel, waar een van oorsprong Spaanstalige meneer met een pak aan en een das om mij hielp bij mijn koffiekeuze. Dat is dan wel weer luxe; ik krijg daar meer aandacht en service dan in een witgoedzaak. Telkens vroeg hij me of ik nog iets te vragen had, en aangezien ik nieuw ben in het Nespresso-gebeuren had ik die wel.

Ik kreeg chocola en koffie. En ik vermoed dat als ik het had gevraagd, ook nog die Spaanstalige meneer z’n 06.

Tags: , ,

Zadie Smith heeft een opiniestuk geschreven over Facebook. Het verscheen in de New York Review of Books, en in vertaling in het NRC Handelsblad. Een opiniestuk, en daarom – zoals het hoort – af en toe behoorlijk kort door de bocht. Samengevat stelt ze twee dingen: (1) Facebook is gebaseerd op het armzalige leven van oprichter Mark Zuckerberg, en kent daarom nauwelijks diepgang; (2) Van een op een database gebaseerd systeem valt per definitie weinig diepgang te verwachten.

Ik ben het met beide punten oneens, en zal uitleggen waarom. Het eerste punt onderbouwt ze vooral met de inrichting van Facebook: “Zaken die je leuk kunt vinden zijn films, muziek, boeken en televisieprogramma’s, geen architectuur, ideeën of planten.” Dit is niet waar. Facebook biedt voldoende mogelijkheden om binnen je profiel en daarbuiten aan te geven welke filosofen je het liefste leest of welke gebouwen je het liefste bezoekt. Ze noemt nog een aantal andere voorbeelden van zaken op Facebook die ze typisch Zuckerbergiaans vindt (‘porren is wat nerds doen bij meisjes’), maar het is allemaal een beetje vergezocht.

Haar tweede stelling is interessanter: een ‘sociaal netwerk’ is niet te vatten in een database, en als je dat toch probeert, doe je jezelf tekort. Ik ben het met haar eens dat je af en toe iets meemaakt wat niet op Facebook te zetten is. Soms zie je een prachtige zonsondergang die je fotografeert met je mobieltje en dan op Facebook zet. En dan is het ineens minder spectaculair. Net als de reacties van je vrienden (meestal nul).

Maar als je op een andere manier met Facebook omgaat, wordt het ineens een stuk leuker. Namelijk als je mensen laat weten wat je aan het doen bent, op een luchtige manier. Soms kom ik iemand tegen die ik een half jaar niet gezien heb, maar dan kan ik toch vragen: ‘Goh, hoe gaat de verbouwing?’ En sommige mensen die ik niet zo goed ken, schrijven de leukste dingen en belevenissen op Facebook.

‘Daar zit ik niet op te wachten,’ zou een reactie kunnen zijn die ik me goed kan voorstellen. Maar ik zit daar wel op te wachten. En ik geniet af en toe van de scherpe observaties van mijn Facebookvrienden. Ook al staan die opgeslagen in een eenvoudige database.

Weesperplein, een paar jaar geleden. Ik hoorde remmen piepen, keek om en zag hoe een taxi probeerde uit te wijken voor een oudere man die over de trambaan aan het zwalken was. Dat lukte niet, de man werd geraakt door de spiegel van de taxi en viel op de grond. De taxi reed door.

De man probeerde overeind te komen. Ik rende naar hem toe. Hij was duidelijk in de war, waarschijnlijk was hij dat al voordat hij over de trambaan begon te zwalken. Er zat bloed op zijn handen, maar zo te zien was hij niet heel erg gewond. Ik pakte hem onder zijn armen en we liepen naar een bankje naast de weg. Daar zette ik hem op neer.

Toen bedacht ik me dat de ambulancepost hier om de hoek was, op vijftig meter lopen. Ik zei tegen de man dat hij rustig moest blijven zitten en dat ik een ambulance zou gaan halen. Dat blijven zitten leek wel te gaan lukken.

Ik rende naar de ambulancepost en vertelde wat er gebeurd was. Maar in plaats van meteen mee te gaan, bleek dat er eerst een paar formulieren ingevuld moesten worden door de broeders. Op zich logisch, want er moet bekend zijn waar ze zich ophouden en of ze uitgerukt zijn. Maar een beetje frustrerend was het wel.

Ik rende weer terug, de man zat er nog en zag er iets beter uit. Een paar minuten later hoorde ik de ambulance met loeiende sirene vertrekken. Ze moesten nog een aardige omweg maken, maar weer een minuut later waren ze er. En toen ben ik maar weer opgekrast.

(Ben de kamer aan het opruimen. Kwam m’n dagboek tegen van toen ik zeven was. Hieronder een verhaal uit dat dagboek).

Er was eens een arme boer. Die was erg boos op de burgemeester, want die had beloofd om armen te helpen. Maar dat deed ‘ie niet (tenminste, niet voor de boer!). Dus daarom was die zo kwaad, dat ie zijn enige huis ging slopen! De burgemeester had nog gezegd dat de boer té arm was, maar toen was ‘ie al de stad uit. De boer had ook een koe, die toveren kon. Maar dat wist de boer niet. Dus daarom bleef ‘ie zo arm.

Maar op een dag zei de boer voor de lol: ‘Hoe staat het met je maag?’

Toen zei de koe: ‘Boe, boe’, wat de boer had verwacht. Maar het ging nog verder: ‘Boe, het gaat niet zo goed. Zullen we hier even stoppen? Voor een hapje?’

‘Goed,’ was het antwoord. En de boer mompelde: ‘Dit is een, dit is een… Een droom!’

Toen zei de koe tegen de boer: ‘Dit is geen droom, dit is echt! Ik kan geld toveren en van álles!’

En toen was de boer weer rijk!

« Oudere stukjes § Nieuwere stukjes »