korte verhalen

Dit is het archief voor de categorie korte verhalen.

(Ben de kamer aan het opruimen. Kwam m’n dagboek tegen van toen ik zeven was. Hieronder een verhaal uit dat dagboek).

Er was eens een arme boer. Die was erg boos op de burgemeester, want die had beloofd om armen te helpen. Maar dat deed ‘ie niet (tenminste, niet voor de boer!). Dus daarom was die zo kwaad, dat ie zijn enige huis ging slopen! De burgemeester had nog gezegd dat de boer té arm was, maar toen was ‘ie al de stad uit. De boer had ook een koe, die toveren kon. Maar dat wist de boer niet. Dus daarom bleef ‘ie zo arm.

Maar op een dag zei de boer voor de lol: ‘Hoe staat het met je maag?’

Toen zei de koe: ‘Boe, boe’, wat de boer had verwacht. Maar het ging nog verder: ‘Boe, het gaat niet zo goed. Zullen we hier even stoppen? Voor een hapje?’

‘Goed,’ was het antwoord. En de boer mompelde: ‘Dit is een, dit is een… Een droom!’

Toen zei de koe tegen de boer: ‘Dit is geen droom, dit is echt! Ik kan geld toveren en van álles!’

En toen was de boer weer rijk!

‘NEE,’ ZEI MICHIEL. ‘IK DOE HET NIET’.

‘We worden beroemd,’ zei ik. ‘En er kan niets gebeuren. Dit is zó YouTube-worthy, écht!’

Hij keek naar de trap. Hij keek naar mij. Hij keek weer naar de trap.

‘Fok jou!’ zei hij, ‘ik film wel. Doe jij het lekker zelf. Word jij toch lekker beroemd’.

‘Maar ik kan beter filmen dan jij,’ probeerde ik nog.

‘Ik ga het niet doen,’ zei hij beslist, ‘dus of jij doet het, of we doen het niet’.

Dat vond ik zonde. We hadden niet voor niks die enorme houten klomp mee lopen zeulen van de Dam naar hier. We hadden geluk dat we de fotocamera bij ons hadden. Zo’n kans kregen we nooit meer.

‘Oké, ik doe het,’ zei ik, en ik gaf de camera aan Michiel, ‘er kan niks gebeuren’.

Ik ging in de klomp zitten.

‘Waar moet ik gaan staan?’ vroeg hij.

‘Als je beneden staat, ziet het er heftiger uit’.

Michiel huppelde de veertig treden af. Het viel me op dat hij zo vrolijk aan het huppelen was. Terwijl zijn grote vriend op het punt stond om zich in een enorme klomp naar beneden te storten. En daarbij mogelijkerwijs het leven te laten. Michiel is een slechte vriend, concludeerde ik.

‘Ja,’ riep Michiel, ‘ik ben er klaar voor’.

Hij zag mijn aarzeling.

‘Er kan niets gebeuren!’ schreeuwde hij. ‘Dat zei je net zelf’.

Ja, dacht ik, dat zei ik net zelf. Maar dat was toen jij zou gaan. Dat was de afspraak toen we de klomp meenamen. Dat jij zou gaan. En nu ben jij aan het hazen, jij vieze vuile rat.

‘Je wordt beroemd!’ riep Michiel. ‘Hup, afzetten en gaan. Niet nadenken!’

Niet nadenken. Goed advies. Niet nadenken, gewoon gaan. Gewoon eventjes naar beneden glijden en beroemd worden. Ik word fokking famous.

Ik stapte uit de klomp, en schoof deze naar de rand. Ging er weer in zitten. Pakte de reling. Trok. Begon te schuiven. Schoof hard en scheef. Verder weet ik het even niet meer.

—————————————

Ik opende m’n ogen, maar zag niets. Wazig licht. Ik rook groene zeep en bejaarden: ziekenhuis. Langzaam schoven de lijnen in elkaar, en uit elkaar, en in elkaar. Maar voordat ik hem kon zien, hoorde ik Vincent praten.

‘Edgar!’

‘Hmrmbl,’ zei ik.

‘Edgar! Ben je wakker?’

‘Hmrmbl’, herhaalde ik.

‘Hé Edgar, wat denk je’ Fokking vijfduizend views op YouTube!’

Vette shit, dacht ik. Vijfduizend views. Ik ben famous.

Ik ben fokking famous.

 

Tags: , ,

MIDDEN IN DE NACHT WERD HIJ WAKKER. Hij lag met wijdopen ogen de duisternis in te staren. Laura lag naast hem, nog diep in slaap. Hij hoorde haar regelmatige ademhaling, verder niets. Hij deed z’n ogen weer dicht en ging op z’n zij liggen.

Toen hoorde hij een geluid. Hij zat meteen rechtop in z’n bed. Dit was ook het geluid dat hem gewekt had, nu wist hij het zeker. Het kwam uit de keuken. Hij zocht op de tast het lichtknopje. Of nee, beter niet het licht aandoen. Je weet maar nooit.

Zachtjes stapte hij uit bed – voorzichtig – om Laura niet te wekken. En om de indringer, of wat het ook was in de keuken, niet te alarmeren. Hij sloop naar de deur, zachtjes op een kier, richting keuken gluren.

Niets. Hij zag niets. En toch… daar was het geluid weer! En toch echt í­n de keuken, daar was geen twijfel over mogelijk. Hij opende de deur en liep naar de keuken. De planken kraakten en het geluid hield op.

Hij bleef staan op de drempel van de keuken, doodstil. Tien seconden, twintig seconden gingen geruisloos voobij. En toen, onmiskenbaar, gescharrel. In de vuilnisbak.

‘Potverdorie,’ dacht hij, ‘muizen!’

De muizen hadden een gat geknaagd in het deksel van de vuilnisbak, hij zag het duidelijk, halfrond met muizentandjes. De muisjes wisten niet zeker of ze nou moesten vluchten, of stilzitten, of gewoon lekker doorgaan met waar ze mee bezig waren. Soms was het stil, soms ritselde het.

Toen kreeg hij een lumineus idee. Die muizen waren hem al wekenlang een doorn in het oog. Soms vergat hij per ongeluk de keuken op te ruimen, met als gevolg aangevreten brood en muizenkeutels in de pannen met etensresten. Of eigenlijk vergat hij dat best wel vaak. Nu was het moment van vergelding daar. Zijn wraak zou o zo zoet zijn.

Rustig liep hij naar het gootsteenkastje. De muizen scharrelden wat heen en weer, maar ze waren niet van plan om de vuilnisbak te verlaten. Mooi. Twee flessen pakte hij, allesreiniger en bleekmiddel. Eerst maar de chloor, dat was het smerigste. De mond van de fles paste precies op het knaaggat. De vloeistof gutste de vuilnisbak in, klok klok klok.

Het gescharrel nam toe. Om er zeker van te zijn dat de muizen niet zouden vluchten, maakte hij met z’n andere hand alvast de fles allesreiniger open. Zodra de fles chloor leeg was, wisselde hij de fles met de allesreiniger.

Deze fles paste nog beter op het gat. Hij schroefde de fles vast. Het gescharrel in de vuilnisbak nam nu paniekerige vormen aan. Hij schatte dat er ongeveer vijf muizen voor hun leven vochten daarbinnen. Een vreemd gevoel kwam over hem, een mengeling van verrukkelijk sadisme, triomf en van walging.

Hij rook een vreemde geur en besefte dat het chloorgas dat hij zo inventief had lopen mengen ook niet geheel ongevaarlijk voor mensen was. Hij opende het keukenraam en ademde de koele nachtlucht in.

Het geritsel werd al minder. Hij liep weer terug naar de slaapkamer: nu had het toch geen zin om in de weer te gaan met chloorgas en muizenlijkjes. Morgen zou het gas vervlogen zijn, en zou hij de troep opruimen.

Hij stapte weer in bed. Nu werd Laura wel een beetje wakker.

‘Wat is er?’ vroeg ze slaperig.

‘Niets, niets lieverd. Welterusten.’

Laura mompelde wat en sliep weer verder. Ook hij doezelde snel in slaap, om pas de volgende morgen te worden gewekt door een ijzingwekkend gegil.

Tags: , ,

Hij had een eng boek gelezen voordat hij ging slapen. Dat had hij niet moeten doen. Ieder geluidje leek nu een monster, of een eng dier, of een moordenaar. Waarom moest zijn vader ook altijd ‘s avonds werken? Het donkere bos naast het huis ritselde wild en fluisterde zijn gruwelijke geheimen.

Nu wist hij zeker dat hij iets hoorde. Gemorrel bij het raam beneden, en hij dacht zelfs dat hij iemand hoorde mompelen. Hij stapte uit bed, en probeerde zonder te kraken over de houten vloer te lopen, naar het raam. Maar hij kon niet zien wat er beneden gebeurde, en hij durfde het raam niet open te doen.

Een zondagmiddag, drie maanden geleden. Gerrit en hij waren in de studeerkamer van vader aan het spelen. Ze wisten dat het eigenlijk niet mocht, maar vader was er weer eens niet en er lagen machtig mooie dingen om mee te spelen. Een oude schrijfmachine, een vergrootglas, sigaren. Het waren magische zaken, hij durfde ze nauwelijks aan te raken. Gerrit had daar minder moeite mee.

“Hans, moet je kijken!” riep hij uit, telkens als hij iets moois tegenkwam: een boek over geweren, een oude rekenmachine, een fles whisky. Die fles maakte hij open en hij nam er een stevige teug van.

“Jij ook?”

Hans schudde van nee, hij wou dat Gerrit voorzichtiger met de spullen was. Zo zou zijn vader zeker merken dat ze in zijn studeerkamer waren geweest.

“Moet je eens kijken, een sleutel!” Gerrit hield triomfantelijk een sleuteltje omhoog, dat hij in een bureaula had gevonden.

“Leg alsjeblieft terug!” zei Hans.

“Neuh! Nou wil ik weten waar het van is ook!” Gerrit probeerde de kast in de hoek van de kamer open te maken. Dat lukte. Het deurtje zwaaide open. De jongens keken ademloos naar de verzameling geweren die daar uitgestald stond. Prachtig gepoetste, blinkende geweren. Ze roken naar hout, staal en kruit.

“Dat zijn m’n vaders geweren,” zei Hans zacht.

“Is jouw vader jager?” vroeg Gerrit vol bewondering. Hij pakte een geweer uit de kast, aaide het en zette het tegen zijn schouder. Toen draaide hij naar Hans.

“Boem!”

“Pas op!” riep Hans, “straks is ‘ie geladen, gek!”

Maar Gerrit vond het alleen maar een goede grap. Hans kon de verleiding niet langer weerstaan en pakte ook een geweer uit de kast, een dubbelloops. Hij klapte het open, zoals hij zijn vader wel eens had zien doen. Er zaten geen kogels in, zag hij. Hij sloot het geweer en ging op de grond liggen. Mikte op Gerrit, spande de haan en haalde de trekker over. Klik.

Op dat moment hoorden ze de deur beneden openzwaaien. Vader! Snel zetten ze de geweren terug in de kast, deden de kast dicht en op slot, gooiden de sleutel terug in de la en renden de kamer uit.

Vader kwam de trap op. “Zo jongens. Braaf aan het spelen?” Hans knikte. Gerrit kon natuurlijk zijn lachen weer niet houden, maar vader was wel wat gewend van Gerrit en lette er niet op.

Dat was drie maanden geleden. Hans durfde het raam niet open te doen, maar inmiddels wist hij dat hij niet aan het dromen was. Er waren inbrekers beneden. Hij liep naar de studeerkamer, en pakte een geweer uit de kast in de hoek. Er lag ook een zakje munitie, maar die leek niet bij dit geweer te horen. Dan zo maar.

Hij sloop de trap af en stelde zich op in de gang. Hij stond er net, toen de deur luid krakend bezweek.

“Zo we zijn binnen. Nu kijken… Wat…!”

Hans stond oog in oog met een grote kerel, die hij vaag kende uit het dorp. Hans hield het geweer strak op de man gericht.

“Ferry, het is die kleine.”

“Ja en?” zei de man die kennelijk Ferry heette, “laten we ons daar door weerhouden?”

“Eh, nou, die kleine staat hier met een doorgeladen geweer van z’n pa.”

Er viel een krachtterm. De grote man liep achteruit het huis uit. Hans schopte de deur dicht en ging in de gang zitten, trillend.

Toen zijn vader twee uur later thuiskwam, keek ook hij bij binnenkomst in de loop van een geweer. Vader schrok, werd boos, maar toen hij het hele verhaal hoorde, was hij stiekem wel blij dat de jongens zijn geweren ontdekt hadden.

Hij beloofde Hans dat ze de volgende dag zouden gaan jagen. En kon een brede grijns niet onderdrukken.

Tags:

Het oude mannetje zat knikkebollend op de stoep voor zijn huis. Het was een warme, zonnige dag, iets verderop waren kinderen aan het voetballen. Een moeder kwam naar buiten, met koude limonade. Er lag een glinsterende spiegel over het asfalt, vanaf waar de oude man zat, leek het of de kinderen in gesmolten zilver aan het spelen waren.

Op dat moment hield zijn hart op te kloppen. Zeventig jaar lang had het gewerkt, dag en nacht, zeventig keer per minuut, 4200 keer per uur, 37 miljoen keer per jaar. En die zondagmiddag was het genoeg geweest. De man zakte voorover en viel hard met zijn hoofd op straat.

Er was niemand die het zag. De man bleef zo liggen, de kinderen waren stil hun limonade aan het drinken. Ze zagen wel iemand liggen in de verte, maar stonden er niet bij stil dat daar zojuist een veelbewogen leven ten einde was gekomen.

55 jaar geleden was hij bij de marine gegaan, voor het avontuur en omdat zijn ouders vonden dat hij wel wat discipline kon gebruiken. De hele wereld had hij afgereisd, en in havens op alle continenten had hij gedronken, gefeest, gezongen. Hij had klappen uitgedeeld en klappen geïncasseerd. Hij had reprimandes gegeven aan ondergeschikten als ze te laat op het appèl kwamen, hij had reprimandes gekregen als hij weer eens midden in de nacht dronken brallend over het dek zwalkte.

Het was een mooie, onbezorgde tijd geweest. Erg rustig: de Koude Oorlog woedde, maar daardoor hoefde er nauwelijks echt gewerkt te worden. Ze legden de schepen op tactische plekken, ze voeren naar betwiste zeestraten, af en toe enterden ze een piratenschip voor de Filipijnse kust.

Na vijftien jaar bij de marine had hij het wel gezien. Hij ging bij zijn vrouw wonen waar hij op z’n twintigste mee getrouwd was. Ze hadden intens van elkaar gehouden tijdens zijn marine-tijd, tien jaar lang, maar samen in een huis bleek niet te werken en het huwelijk werd een jaar later ontbonden.

Hij begon een winkel in tuinmeubelen, investeerde alles in de zaak: zijn tijd, zijn geld, zijn passie. Na een paar jaar kon hij uitbreiden, en al snel had hij vijf winkels in verschillende steden. Het voelde als een imperium, en een imperium moet je delen met een koningin. Die had hij snel gevonden, Elisa, ze waren getrouwd, ze zaten totaal niet op dezelfde golflengte maar ze tolereerden elkaar.

Vijf jaar geleden was ze overleden na een langdurig ziekbed. Hij heeft haar niet gemist. Wel miste hij na haar dood de motivatie om nog leiding te geven aan Jan Klop Tuinmeubels. Hij had de zaak overgedragen aan zijn stiefzoon, de zoon van Elisa, een capabele jongen die marketing had gestudeerd in Groningen en ‘niets liever deed dan de tuinmeubelzaak van Jan voortzetten en liefst ook nog uitbreiden’. Prima jongen dus.

De laatste vijf jaar van zijn leven had hij zitten peinzen. Wat had hij nou werkelijk gedaan in zijn leven? Liet hij de wereld een beetje beter achter dan hij deze had aangetroffen? Was hij gelukkig geweest?

Dergelijke vragen hadden aan hem zitten knagen. Meer dan hem lief was. Hij probeerde er niet te veel aan te denken, en te genieten van zijn welverdiende rust. Maar dat ongemakkelijke gevoel ging niet weg. Had hij wel de juiste keuzes gemaakt? Waren zijn vrienden wel echte vrienden geweest? Of waren het eigenlijk meer kennissen? Waarom had hij nooit even stilgestaan, om even rustig naar zijn leven te kijken? Waarom had hij altijd maar doorgejaagd?

Hij vond het zeer onprettig om over dergelijke dingen na te moeten denken. Maar die zondagmidddag had hij daar niet over zitten piekeren. Vlak voordat hij op straat viel, was hij nog een keer naar dat café in Surabaya gegaan, als jonge knul van achttien, waar de meisjes hem en zijn vrienden probeerden hem bier te verkopen, en af en toe, als ze in een ondeugende bui waren, bij hem op schoot kwamen zitten.

Er was daar één meisje, Neneng, daar was hij verliefd op geweest. Neneng, verfijnd, met spottende en toch lieven oogopslag, een mysterie. Daar had hij dagen mee doorgebracht, ze hadden door de stad gewandeld en waren naar de film gegaan. De doorgaans nogal doortastende Jan was gesmolten voor dat meisje, en liep als een verliefde puber naast haar, af en toe stiekem een verliefde blik op haar werpend. Voelde zij nou ook werkelijk iets voor hem of was het allemaal geveinsd? Deze Javaanse was ondoorgrondelijk.

Hij had haar wel willen trouwen, en haar meenemen naar Nederland. Maar als hij iets dergelijks opperde, lachte ze haar sprankelende lach en maakte een gebaar wat niets anders kon betekenen dan ‘wat ben je toch een grapjas’. Dus hij had haar daar achtergelaten. Wat zou er van haar geworden zijn, dacht hij half-dromend, in de zon voor zijn huis.

De bal rolde door de straat en twee kinderen renden erachteraan, elkaar aan de shirtjes trekkend.

“Ik heb hem lekker toch eerder!”

“Nietes!”

“Toch wel.”

Toen was het even stil.

“Hee, die opa ligt op straat. Zou ‘ie ziek zijn?”

“Mamma, kom es!”

Mamma kwam en belde de ambulance, die acht minuten en zes seconden later ter plaatse was. Maar het ambulancepersoneel kon niets meer doen. Het hart van Jan had 2.589.476.977 keer geklopt.

Het was nu wel genoeg geweest.

Tags: , , ,

« Oudere stukjes