herinneringen

Dit is het archief voor de categorie herinneringen.

Geachte heer/mevrouw,

Dank voor uw schrijven van 20 januari 2012, waarin u aankondigt gas en licht af te zullen sluiten als ik niet snel uw rekeningen betaal. Ik schrijf u deze brief, omdat ik terdege besef dat gas en elektriciteit belangrijke zaken zijn, waar niet licht over gedacht moet worden.

Toegegeven, de mensheid heeft het millenia lang zonder gedaan. En ook tijdens de oorlogsjaren waren gas en elektriciteit schaars. Maar inmiddels zijn wij er zo aan gewend (en ook aan televisie via de kabel, maar daar handelt u niet in), dat we moeilijk zonder kunnen. Ook ik.

Uiteraard zou ik eventueel op mijn kampeerstelletje mijn avondmaaltijd kunnen bereiden. Maar er zijn drie redenen waarom deze oplossing niet optimaal is. Ten eerste stuit dit op bezwaren van de lokale brandweer. Ten tweede heb ik een baan, en weet ik de efficiëntie van gas uit een leiding te waarderen. En ten derde heb ik zojuist voor het luttele bedrag van tien euro een gasfornuis aangeschaft via Marktplaats.nl. Dit fornuis zou ik graag langer dan een week gebruiken.

Natuurlijk heb ik kaarsen. Daar zou ik eventueel mijn huis mee kunnen verlichten. Maar de stofzuiger bijvoorbeeld, die werkt niet op kaarsen, En om nou weer ouderwets te gaan bezemen, neen, dat zie ik niet zitten.

Vandaar deze brief. Het geld is namelijk op. Over een paar weken krijg ik weer mijn salaris gestort. Ik beloof u dat ik dat geld deze keer niet aan dure koffie, drank en muziekinstrumenten uit zal geven. Nee! Zodra het binnen is, maak ik het over via internetbankieren. Dat zweer ik, op het graf van Poekie.

Ik hoop dat u mij gelooft, en dat u nog enkele weken wacht met het dichtdraaien van gasleiding en elektriciteitskabel.

Ik wens u een plezierige dag, veel voorspoed en geluk in u leven, en alle gezondheid voor u en de uwen,

Met vriendelijke groet,

David

‘Jij was vastbesloten om je nergens door van je stuk te laten brengen. Daar waren veel mensen om je heen het wel over eens.’

Hij keek Vincent eens goed aan, terwijl hij dit zei.

‘Maar dat kan een mens niet eeuwig volhouden. Dat kon jij ook niet eeuwig volhouden. Eens moest er iets gebeuren waardoor je dat onverstoorbare niet langer kon volhouden. En dat is nu gebeurd.’

Weesperplein, een paar jaar geleden. Ik hoorde remmen piepen, keek om en zag hoe een taxi probeerde uit te wijken voor een oudere man die over de trambaan aan het zwalken was. Dat lukte niet, de man werd geraakt door de spiegel van de taxi en viel op de grond. De taxi reed door.

De man probeerde overeind te komen. Ik rende naar hem toe. Hij was duidelijk in de war, waarschijnlijk was hij dat al voordat hij over de trambaan begon te zwalken. Er zat bloed op zijn handen, maar zo te zien was hij niet heel erg gewond. Ik pakte hem onder zijn armen en we liepen naar een bankje naast de weg. Daar zette ik hem op neer.

Toen bedacht ik me dat de ambulancepost hier om de hoek was, op vijftig meter lopen. Ik zei tegen de man dat hij rustig moest blijven zitten en dat ik een ambulance zou gaan halen. Dat blijven zitten leek wel te gaan lukken.

Ik rende naar de ambulancepost en vertelde wat er gebeurd was. Maar in plaats van meteen mee te gaan, bleek dat er eerst een paar formulieren ingevuld moesten worden door de broeders. Op zich logisch, want er moet bekend zijn waar ze zich ophouden en of ze uitgerukt zijn. Maar een beetje frustrerend was het wel.

Ik rende weer terug, de man zat er nog en zag er iets beter uit. Een paar minuten later hoorde ik de ambulance met loeiende sirene vertrekken. Ze moesten nog een aardige omweg maken, maar weer een minuut later waren ze er. En toen ben ik maar weer opgekrast.

(Ben de kamer aan het opruimen. Kwam m’n dagboek tegen van toen ik zeven was. Hieronder een verhaal uit dat dagboek).

Er was eens een arme boer. Die was erg boos op de burgemeester, want die had beloofd om armen te helpen. Maar dat deed ‘ie niet (tenminste, niet voor de boer!). Dus daarom was die zo kwaad, dat ie zijn enige huis ging slopen! De burgemeester had nog gezegd dat de boer té arm was, maar toen was ‘ie al de stad uit. De boer had ook een koe, die toveren kon. Maar dat wist de boer niet. Dus daarom bleef ‘ie zo arm.

Maar op een dag zei de boer voor de lol: ‘Hoe staat het met je maag?’

Toen zei de koe: ‘Boe, boe’, wat de boer had verwacht. Maar het ging nog verder: ‘Boe, het gaat niet zo goed. Zullen we hier even stoppen? Voor een hapje?’

‘Goed,’ was het antwoord. En de boer mompelde: ‘Dit is een, dit is een… Een droom!’

Toen zei de koe tegen de boer: ‘Dit is geen droom, dit is echt! Ik kan geld toveren en van álles!’

En toen was de boer weer rijk!

Mijn vader heeft de hongerwinter nog bewust meegemaakt. Er zijn er weinig van mijn generatie die dat kunnen zeggen. En ik denk dat dat, op een bepaalde manier, wel degelijk invloed heeft op mijn wereldbeeld.

Zo heeft mijn vader de grootste moeite met het weggooien van eten. Als we een pakje tegenkomen waarvan de uiterste houdbaarheidsdatum inmiddels een half decennium achter ons ligt, twijfelt hij altijd of het weggegooid moet worden. ‘Dat is toch nog wel goed?’ vraagt hij dan.

Ik ken de verhalen over de ‘molsla’, de sla gemaakt van paardenbloemen. En het halfrotte vlees dat kinderen kregen van de Duitse soldaten. En hoe lekker dat was! En de bloembollen, die hij at maar waarvan hij verschrikkelijke diarree kreeg. En hoe zijn vader een zak aardappelen had weten te regelen, waar mijn vader ook van mocht eten. Mijn vader’s vader was namelijk gescheiden.

Mijn oma was hertrouwd met een kunstschilder. Ze kenden een oudere joodse vrouw, die de hele oorlog op hun zolder heeft doorgebracht. Mijn vader was zeven toen de oorlog begon, twaalf toen die eindigde. Het vriendje van mijn vader was het zoontje van de buren, die NSB’ers waren. Je begrijpt dat mijn vader niets over de joodse vrouw op zolder mocht zeggen tegen het vriendje. Volgens mijn vader vermoedden het vriendje en zijn ouders wel het een en ander. Maar ze vonden het onnodig om dit aan de Duitsers te verklappen. Waarvan ik weer geleerd heb dat de ene NSB’er de andere niet is.

Volgens mij heb ik, doordat mijn vader de oorlog heeft meegemaakt, ook een groter wantrouwen tegen De Staat. Cameratoezicht, preventief fouilleren, registratie van afkomst: voor mij zal er altijd een verdacht luchtje aan zitten. Prima, zolang de regering zich gedraagt. Maar ik ga er niet vanuit dat dat altijd zo zal blijven. ‘Als je niets hebt misdaan, heb je ook niets te vrezen,’ zo proberen de voorstanders ons gerust te stellen. Maar ik vraag het me eerlijk gezegd af. Eenmaal in de verkeerde database, met of zonder reden, en je komt er niet meer zo snel uit.

Tot slot de saamhorigheid. Probeerden de Duitsers in het begin van de oorlog nog de ‘hearts and minds’ van de Nederlanders te veroveren, gaandeweg deden ze steeds minder moeite. En de afschuw over de bezetting nam toe. Mijn vader en zijn vriendjes zongen stieken anti-Duitse liedjes en vertelden anti-Duitse moppen. Hoewel naar huidige maatstaven nauwelijks grappig. rolden ze over de grond van het lachen.

Na de oorlog verdween die saamhorigheid al snel: binnen een paar jaar was het weer alsof er nooit een bezetting geweest was. Er was geen vijand meer. En het vermoeden bestaat dat veel mensen, waaronder mijn oma, heel erg terugverlangden naar die spannende tijd. Een dergelijke broederlijkheid vind je tegenwoordig nog slechts op de Nederlandse plassen als het gevroren heeft en de hele natie over het ijs aan het zwieren is.

Dat heb ik me tenminste laten vertellen.

« Oudere stukjes