Ja, ik geef het toe, ook ik ben eindelijk overstag: ik heb een Nespresso-apparaat. Ik heb een paar jaar lang weten vol te houden dat filterkoffie echt lekkerder is, dat espresso weer op z’n retour is en dat Nespresso-cupjes veel te duur zijn.
Een beetje gelijk heb ik wel gekregen: filterkoffie is weer helemaal hip in Londen (schijnt) en de espressowinkeltjes daar zijn op hun retour (schijnt). Maar waar ik telkens geen rekening mee hield, en wat ik nu eindelijk inzie: koffie blijft, als het pakje eenmaal open is, maar een week goed. Oké, met een beetje goede wil en niet al te kritische smaakpapillen twee weken. Maar meer ook niet.
Dus als je, zoals ik, maar vijf kopjes koffie per week thuis drinkt, dan krijg je nooit het pak op. En verlept de koffie, zodat je op een goede zondagochtend een kopje zet dat mooie herinneringen oproept aan slootwater uit Calcutta. Niet de bedoeling.
Daarom besloot ik vorige maand in een impulsieve bui zo’n Nespresso-machine aan te schaffen. Een niet al te dure onderneming, aangezien de winst niet gehaald wordt op de machines, maar op de cupjes die je daarna moet kopen. Een kopje Nespresso kost ongeveer 35 cent, en door patenten ziet het er niet naar uit dat hier in de komende paar jaar verandering in komt. Concurrentie mag nog niet.
Dus stond ik vandaag in de Nespresso-winkel, waar een van oorsprong Spaanstalige meneer met een pak aan en een das om mij hielp bij mijn koffiekeuze. Dat is dan wel weer luxe; ik krijg daar meer aandacht en service dan in een witgoedzaak. Telkens vroeg hij me of ik nog iets te vragen had, en aangezien ik nieuw ben in het Nespresso-gebeuren had ik die wel.
Ik kreeg chocola en koffie. En ik vermoed dat als ik het had gevraagd, ook nog die Spaanstalige meneer z’n 06.
