oktober 2006

Dit is het archief voor de maand oktober 2006.

Als bezetenen stonden we aan kabels te trekken. Die zeilen wilden maar niet omhoog! Pas toen iemand ‘een, twee, hup!’ begon te roepen, kwam er beweging in. Langzaam kroop de fok omhoog. Je merkte dat het schip, de Ide Min uit Amsterdam, blij was met het extra zeil. Het schip helde over en sneed door de golven.

Wat deden 22 PwC’ers op een klassiek zeilschip op de Noordzee, die donderdag 12 oktober? Ze deden mee aan de ‘Race of the Classics for Young Professionals’, een zeilrace naar Engeland tegen negen andere teams: ABN Amro, AKD Prinsen van Wijmen, Economische Zaken, ING, de marine, KPMG (corporate finance, niet de accountants), NIVRA (wel accountants), PwC (associates en senior associates van BU De Ridder), Rabobank en Shell.

Eerst nog wat onwennig – wat is een kluiver? Een jager? Kombuis? De schoot*? – maar al snel ingeburgerd in de wereld van de zeerotten, zetten we koers naar Engeland. De schipper was al snel aan het mopperen: op de heenweg westenwind, op de terugweg de wind uit het oosten, dat kon nooit goed gaan.

En inderdaad, na een paar uur zeilen meldde de organisatie dat de overtocht naar Engeland afgeblazen zou worden. Opluchting bij de schipper en zijn maten, teleurstelling bij de deelnemers. Maar wij zagen ook wel in dat tien uur op de motor naar Engeland, en twintig uur op de motor weer terug, ook niet ideaal was.

Daarom koers gezet naar het iets minder exotische Texel. Daar kwamen we ‘s middags aan, daar gingen drie malloten pannenkoeken bakken waarbij het deeg én de pannenkoeken alle kanten opvlogen.

‘s Avonds werden we met bussen naar een strandtent gereden, waar we genadeloos hebben gedronken en een beetje tegen elkaar hebben staan aanhossen (het was nogal klein behuisd).

Al vrij vroeg ging de bus terug, maar gelukkig was er nog een feestje op het schip van de ABN Amro. Terwijl iedereen daar was, of al lag te slapen, waren er schavuiten die schepen afstruinden op zoek naar vlaggen. De KPMG-vlag, die eerder doelwit was van PwC (ze hadden ons tijdig in de smiezen en onze poging verijdeld), is uiteindelijk in handen gevallen van ABN Amro. De ABN-vlag is veroverd door Shell, die ‘m ondersteboven in de mast hing. De PwC-vlag is op slinkse wijze ontvreemd door KPMG, maar die moest ‘m terugbrengen van hun schipper. (Ha ha! Net goed!) En ook ING was z’n vlaggen kwijt: twee zijn er uiteindelijk teruggevonden bij ons aan boord. Hoe ze daar gekomen zijn? Weet jij het…?

De volgende ochtend werden we wakker, we keken elkaar aan, zagen elkaars brakke hoofd en wisten: dit wordt een zure sessie. De komende 24 uur op het water, wedstrijden zeilen, met een kater en te weinig slaap op de deining van de Noordzee… Oehoe dat wordt zwaar. Drie mensen zagen het bij voorbaat al niet zitten en verlieten het schip.

De achterblijvers hielden vol en werden prompt beloond: de eerste race die dag wonnen wij! Na een bloedstollende achtervolging richting de finish, pakten we de eerste overwinning voor de Ide Min van het seizoen. Alle katers van die morgen waren vergeten en verdwenen, eensgezind trokken we onze, inmiddels nogal pijnlijke, handen open aan kabels en lijnen, het deerde ons niets.

Helaas hadden we weinig tijd om van onze zege te genieten, want de volgende race diende zich al aan. Eerst een heel stuk richting noorden, dan langs de kust naar IJmuiden: de hele nacht door. ‘s Nachts zeilen was betoverend, langs boortorens als ijspaleizen en met de sterren als enige navigatiemiddel. Bij deze etappe kwam weinig tactisch vernuft kijken, en aangezien de Ide Min duidelijk niet het snelste schip was, eindigden we ergens in de middenmoot.

‘s Ochtends kwamen we aan in IJmuiden en koersten we door het Noordzeekanaal naar Amsterdam, waar we ‘s middags arriveerden. De prijsuitreiking was in club 11, op de elfde verdieping van het oude postsorteergebouw – inmiddels een hip restaurant annex club. Hoewel we geen podiumplaats hadden – we waren gedeeld vierde met Economische Zaken – konden we ons troosten met de gedachte dat het ministerie bij de start favoriet was geweest voor de titel.

Om een uur of vijf moesten we club 11 uit, en hoewel we best nog even door hadden willen gaan, was het ook best fijn om lekker vroeg naar bed te gaan. En iedereen was het er wel over eens: volgend jaar weer, hoe dan ook!

*) De woorden eerder in deze tekst? Speciaal voor de landrotten: kluiver en jager zijn zeilen vóór op het schip, de kombuis is de keuken en een schoot is het touw waar je zeilen mee aantrekt.

(Omroep Brabant, zondag 8 oktober om 21:11 uur)
WAALWIJK – Bij een aanrijding tussen twee personenauto’s zijn vrijdagavond in Waalwijk drie mensen gewond geraakt. Het ongeluk gebeurde op de kruising van de Midden Brabantweg (N261) en de zuidelijke op-/afrit van de snelweg A59.

Bof. Een doffe dreun en ineens stond er een verkreukelde auto tegen het stoplicht waar David voor stond te wachten. Toen stilte. Er is een ongeluk gebeurd, dacht hij, ik moet er naartoe, iets doen. Hij reed zijn auto in de berm en zette zijn waarschuwingslichten aan – alsof iemand nu nog door zou willen rijden.

Hij stapte zijn auto uit en liep naar het verwrongen wrak. Op een meter of vijf afstand bleef hij staan. Naast de auto lag een jongen van een jaar of twintig. Onder hem veel bloed.

Een meisje in de passagiersstoel, met gebroken ruit en gedeukte deur. Haar hoofd hing. De voorruit was gebarsten, maar niet gebroken. De ruitenwisser heen en weer over de ruit, waarom weet ik niet, het regende niet. De motor siste zachtjes; verder was het stil.

Hij draaide zich om, begroef zijn vingers in zijn haar, liep terug naar zijn auto. Hier was niets meer aan te doen, dacht hij, jij met je cursus Eerste Hulp. Die jongen was dood. Of anders bijna.

Nee, zo mocht hij niet denken. Hij kon niet zeker weten of de jongen dood was. Het zag er slecht uit, ja – maar hij moest íets doen. Hij kon nu niet weglopen en die mensen daar achterlaten.

Hij liep er weer naartoe. Van dichtbij zag het er nog honderd keer erger uit. Het meisje in de auto draaide even haar bebloede gezicht naar hem toe, keek hem met halfopen ogen aan, liet haar hoofd weer naar de andere kant zakken.

De jongen lag op zijn rug, zijn ogen ook halfopen. Hij knipperde niet. Zijn haar, keurig in blonde stekeltjes met een flinke dosis gel, zag er vreemd geordend uit in deze chaos.

‘De ambulance is gebeld,’ zei David. ‘Ze komen er aan. Hou vol, jongen.’ De halfopen ogen waren op hem gericht. De jongen had nog steeds niet geknipperd. ‘Hou vol, de ambulance komt eraan,’ zei hij nog een keer, hij wist niet wat hij verder nog kon zeggen. Uit pure machteloosheid pakte hij de hand van de jongen. Kleverigheid.

De jongen vond de aanraking kennelijk niet prettig: hij tilde zijn hand op en legde die op zijn borst. Eindelijk beweging! De jongen draaide ook zijn hoofd. David liep om de jongen heen, om te kijken of hij het bloed kon stelpen. Maar hij zag niet waar het uit kwam en durfde niet aan de jongen te komen, bang dat hij eventueel nekletsel zou verergeren. De ogen van de jongen waren nu weggedraaid.

Twintig meter verderop stond een andere auto, waarin ook iemand bekneld leek te zitten. Maar daar stonden mensen bij, toch? Bovendien, nog meer ellende kon hij niet aan.

David pakte niet zijn jas uit zijn auto om over de jongen heen te leggen, die het koud had. Ook riep hij niet naar mensen die vanaf een afstandje stonden te kijken, om een deken te gaan halen of iets om over de jongen heen te leggen. Waarom eigenlijk niet? Misschien was het de machteloosheid. Waar bleef die ambulance?

Ineens stond er een vrouw achter hem, die iets zei. Ze was ook meteen weer weg. David heeft nog iets gezegd tegen het meisje in de auto. Ze keek even naar hem om en liet toen weer haar hoofd zakken. Wat deed hij nog hier? Had het nog zin? Hij dacht van niet, maar hij kon nu niet meer weglopen, nu niet meer, nu zou hij hier tot het bittere einde blijven.

Plotseling was de vrouw er weer, samen met een man. De man wist wat hem te doen stond. ‘Hoe heet je?’ vroeg hij aan de jongen. ‘Weet je nog hoe je heet?’ vroeg de man aan het meisje. Zulk soort dingen had ik dus moeten vragen, dacht David. Om ze erbij te houden. ‘Blijf erbij, jongens,’ zei de man.

Toen kwam de ambulance. Er sprong iemand uit, die snel een inschatting maakte van de situatie. Er sprong nog een man uit de ambulance, en er was nog een ambulance. Nu pas zag David alle mensen die aan de kant hadden gestaan al die tijd. Hij liep terug naar zijn auto, waar hij zeven minuten eerder uitgestapt was. Hij begon te beven – van de kou? Hij keek naar de ruggen van de mensen die stonden te kijken.

Hij had genoeg gezien.

De bestuurder van één van de auto’s, een 23-jarige man uit Drunen, werd uit de auto geslingerd en is er ernstig aan toe. Een passagier van hem, een 20-jarige vrouw uit Delft en de bestuurder van de andere auto, een 27-jarige man uit Sprang-Capelle, raakten bekneld. Zij zijn door de brandweer uit hun benarde positie bevrijd.

‘Daar,’ hij wees trots naar boven, ‘heb ik ooit eens bijna de liefde bedreven’. Zijn wijsvinger priemde naar de directiekamer van het hoofdkantoor van de ING.
‘Op de vergadertafel van de directie. Ik had hem leren kennen via een datingsite. We zaten die avond een beetje te chatten en toen vroeg hij, waarom kom je niet even langs op m’n werk? Hij is portier in dit gebouw, draait de nachtdiensten.’
‘En toen?’
‘Dat vond ik wel een spannend idee. Dus ik op de fiets hiernaartoe. Hij heeft me een rondleiding gegeven door het hele gebouw. Maar uiteindelijk is er niets gebeurd.’
‘Waarom niet?’
Hij zuchtte. ‘Ik vond het geen mooie jongen.’
Tja. Dan houdt het op.

Drie kleine boekjes van Carmiggelt op een rij. Op een plank bij boekhandel Scheltema, de grootste boekhandel van Amsterdam.

Ik had eigenlijk minstens drie volle planken met zijn volledige oeuvre verwacht, dus dit was nogal een teleurstelling. Ik kon mij niet voorstellen dat dit alles was. Maar dat was het wel.

Ach, iets verderop, bij het gezellige boekwinkeltje Atheneum, daar hadden ze vast wel meer boeken van de beste Amsterdamse columnist aller tijden. Maar hoe ik daar ook zocht, geen Carmiggelt.

‘Carmiggelt? Nee, daar hebben we niets meer van. Dat wordt ook niet meer uitgegeven.’

Niet meer uitgegeven? Niet meer uitgegeven? Een vreemde mengeling van boosheid en teleurstelling borrelde in me op.

‘Carmiggelt niet meer uitgegeven?’ stamelde ik.

‘Neuh, de mensen lezen het niet meer.’

De mensen lezen Martin Bril. De mensen lezen Jan Mulder. De mensen lezen Arnon Grunberg. Maar Simon Carmiggelt, nee, die lezen de mensen niet meer. Ik stond perplex.

Ik kreeg een gruwelijk en tegelijk prachtig plan. Als ik de drie boekjes van Carmiggelt bij Scheltema zou opkopen, zou Carmiggelt praktisch onverkrijgbaar worden in Amsterdam.

Een unicum, dat wist ik zeker. Een schande voor Amsterdam en voor Nederland. Godgeklaagd. Door mijn toedoen zou Amsterdam in een literair ravijn des doods geworpen worden, een intellectuele woestijn die zijn weerga niet kende.

Ik snelde terug naar Scheltema, gehaast, voordat iemand anders me een dergelijke loer zou kunnen draaien. Gelukkig, ze waren er nog.

De kassamedewerker vroeg me of het een cadeautje was. Nee mevrouw, dit is geen cadeautje. Deze boekjes hou ik lekker voor mezelf. En ik lachte een valse grijns.