Soms heb je pech en word je toch vrolijk.

Ik reed op mijn motor door de Schipholtunnel, iets te hard vond ikzelf dus ik ging naar de rechterbaan om wat langzamer te rijden. Op dat moment haalde een auto me in en ging voor me rijden. De bestuurder van de auto was heftig aan het zwaaien. ‘Heb ik iets fout gedaan?’ vroeg ik me af, ‘vond hij dat ik op de verkeerde manier voor hem ben ingevoegd?’ Ik wist het niet en besloot me niet zo veel van de man aan te trekken.

Tot ongeveer vijf seconden later.

Ik was net de Schipholtunnel uitgereden, toen mijn motor vreemd begon te doen. ‘Zou hij me ergens voor hebben willen waarschuwen?’ dacht ik. Het lastige was dat er een tweebaans uitvoegstrook rechts van me was, waar ik niets te zoeken had. Maar pas rechts van die uitvoegstrook was een vluchtstrook. Door het zwaaien van de man en het sputteren van mijn motor, besloot ik toch naar rechts uit te wijken en de vluchtstrook te pakken. Net op tijd, want toen ik op de vluchtstrook stond, was de motor met geen stok meer vooruit te krijgen.

Even de pechdienst bellen, dacht ik. O nee, dacht ik, mijn telefoon is leeg. O jee, dacht ik, dat wordt een lastig verhaal.

Ik probeerde de batterij in mijn telefoon nieuw leven in te blazen door ‘m op te warmen in mijn handen. Helaas: dat werkte niet. Conclusie: ik móest iemand met een telefoon vinden.

Dus ik liet mijn motor achter en klom over de vangrail. Ik stond vlak bij Schiphol, en liep naar de uitgang van een parkeerplaats. De eerste auto die ik gebaarde, stopte. Een in het blauw geklede stewardess draaide haar raampje open.

Ik legde de situatie uit en mocht haar telefoon lenen. Dat klinkt kort maar in totaal duurde het ongeveer een kwartier voordat ik iemand van de juiste pechdienst aan de lijn had. Toen alles geregeld was, zei ze: ‘Als je straks nog een telefoon nodig hebt, moet je maar weer hier vragen, want dit is de parkeerplaats voor de stewards en stewardessen, en die zijn meestal wel hulpvaardig’. Of dat zo is, weet ik niet, maar voor haar gold dat zeker wel.

Nog een kwartier later was de pechdienst er en werd de motor naar de garage vervoerd.

Dankjewel, automobilist voor het zwaaien en dankjewel, stewardess, voor het lenen van je telefoon! En natuurlijk dankjewel motor, dat je besloot om pas ná de Schipholtunnel kapot te gaan!

Geachte heer/mevrouw,

Dank voor uw schrijven van 20 januari 2012, waarin u aankondigt gas en licht af te zullen sluiten als ik niet snel uw rekeningen betaal. Ik schrijf u deze brief, omdat ik terdege besef dat gas en elektriciteit belangrijke zaken zijn, waar niet licht over gedacht moet worden.

Toegegeven, de mensheid heeft het millenia lang zonder gedaan. En ook tijdens de oorlogsjaren waren gas en elektriciteit schaars. Maar inmiddels zijn wij er zo aan gewend (en ook aan televisie via de kabel, maar daar handelt u niet in), dat we moeilijk zonder kunnen. Ook ik.

Uiteraard zou ik eventueel op mijn kampeerstelletje mijn avondmaaltijd kunnen bereiden. Maar er zijn drie redenen waarom deze oplossing niet optimaal is. Ten eerste stuit dit op bezwaren van de lokale brandweer. Ten tweede heb ik een baan, en weet ik de efficiëntie van gas uit een leiding te waarderen. En ten derde heb ik zojuist voor het luttele bedrag van tien euro een gasfornuis aangeschaft via Marktplaats.nl. Dit fornuis zou ik graag langer dan een week gebruiken.

Natuurlijk heb ik kaarsen. Daar zou ik eventueel mijn huis mee kunnen verlichten. Maar de stofzuiger bijvoorbeeld, die werkt niet op kaarsen, En om nou weer ouderwets te gaan bezemen, neen, dat zie ik niet zitten.

Vandaar deze brief. Het geld is namelijk op. Over een paar weken krijg ik weer mijn salaris gestort. Ik beloof u dat ik dat geld deze keer niet aan dure koffie, drank en muziekinstrumenten uit zal geven. Nee! Zodra het binnen is, maak ik het over via internetbankieren. Dat zweer ik, op het graf van Poekie.

Ik hoop dat u mij gelooft, en dat u nog enkele weken wacht met het dichtdraaien van gasleiding en elektriciteitskabel.

Ik wens u een plezierige dag, veel voorspoed en geluk in u leven, en alle gezondheid voor u en de uwen,

Met vriendelijke groet,

David

Vroeger

‘Vroeger,’ zei hij, ‘maakten ze apparaten die gewoon eeuwig meegingen. Toen, in de jaren tachtig, begonnen ze expres kleine mankementen in te bouwen, zodat het ding na een paar jaar – liefst net na de garantietermijn – kapot zou gaan.’

Hij zuchtte.

‘Maar nu is het nog veel erger. De producenten hoeven helemaal geen mankementen meer in te bouwen. Mensen willen nu zelf om de paar jaar een nieuwe telefoon, een nieuwe tv, een nieuwe computer. Om de oren geslagen door de commercie, werken mensen zich het apenzuur om zich de nieuwe iPad te kunnen veroorloven.’

Hij schudde zijn hoofd en zei: ‘De mensen zijn allemaal gek geworden.’

‘Jij was vastbesloten om je nergens door van je stuk te laten brengen. Daar waren veel mensen om je heen het wel over eens.’

Hij keek Vincent eens goed aan, terwijl hij dit zei.

‘Maar dat kan een mens niet eeuwig volhouden. Dat kon jij ook niet eeuwig volhouden. Eens moest er iets gebeuren waardoor je dat onverstoorbare niet langer kon volhouden. En dat is nu gebeurd.’

Het was een prachtig zonnige dag. We liepen door het park, een merel zat ons vanaf een takje nieuwsgierig aan te kijken. Het rook zomers, ook al was het pas half april. We hadden een paar biertjes bij ons, en een kleedje om op te zitten. Veel perfecter kon het niet.

Hij was niet tevreden op z’n werk. Hij werkte bij een klein bedrijf, met tien anderen. Omdat hij een van de weinigen was die bereid was om de handen uit de mouwen te steken, kreeg hij veel verantwoordelijkheid. Maar daar kreeg hij geen erkenning en vertrouwen voor terug. Daarnaast werken de andere collega’s niet echt lekker mee.

‘Ik moet de hele tijd de telefoon opnemen,’ zei hij. ‘En dan kom ik aan mijn eigen werk niet toe. Er is een andere collega die ook af en toe de telefoon zou kunnen opnemen, maar die gaat de hele tijd naar het magazijn en is dan een uur weg. Ik kan een dag lang bezig zijn met alleen maar telefoneren, terwijl ik ook nog andere dingen te doen heb.’

‘Maar zeg je daar dan iets van?’ vroeg ik.

‘Nee, want dan zegt hij dat hij ook vaak genoeg de telefoon aanneemt. En dan laat hij doorschemeren dat hij vindt dat ik juist degene ben die minder hard werkt dan hij.’

Een kraai liep om ons heen, en at de chipjes op die wat mensen hadden achtergelaten. Hij hield ons argwanend in de gaten, met z’n zwarte kraaloogjes. Het was een mooie vogel, met een stralend zwart verendek. En groot!

‘Dat is slim van hem,’ zei ik. ‘Maar nog knapper is, dat hij het voor elkaar krijgt dat jij je er iets van aantrekt. Waarom lukt dat?’

Hij keek even voor zich uit, toen keek hij naar mij. ‘Kennelijk vind ik het toch belangrijk wat hij van me vindt.’

Tsja. Al dat indirecte gedoe op de werkvloer, en erbuiten. Al dat geroddel, al die gedachten over elkaar. Wat een terreur. En wat een verademing als er iemand is die daar niet aan doet. Die gewoon zegt wat ‘ie denkt. Als een oase in een woestenij van meningen over collega’s, en meningen over meningen, en allianties tussen deze en gene.

‘Ik zal het er een keer met hem over hebben.’

« Oudere stukjes